Heksenspinsels  

Onzichtbare vrijheid 

Zijn leven

Boeren, burgers en buitenlui

Het korrelige zand voelt ruw tussen zijn tenen, terwijl hij schuifelend langs de kustlijn loopt. Met zijn hoofd gebogen ziet hij hoe zijn voeten een stukje verdwijnen in het natte gesteente. Een knokige afdruk achterlatend, die na een paar seconden weer wordt overspoeld met een grauwe golf van de Noordzee.

 

Hoog boven zijn hoofd krijsen de vele zeemeeuwen om het hardst. Af en toe duikend in een golf, op zoek naar een stuk verse vis. De zon beschijnt hun vleugels waardoor ze glinsteren. Het lijken net engelen die met vliegende vaart uit de hemel komen vallen. 

Ze brengen hem terug naar het moment, zo’n 75 jaar geleden. 

 

De wind was toen aangewakkerd tot een serieuze storm. Als grote potvissen die hun eten hadden uitgebraakt, lagen landingsboten te bonken op de hoge golven. Met doodsangst probeerde hij, als lopende schietschijf, vooruit te komen in het ondertussen rode zand. Zigzaggend om lichaamsdelen van kameraden, terwijl de kogels om zijn hoofd floten. Met vertroebeld zicht, angst in zijn maag en hoop in zijn hart bereikte hij uiteindelijk zijn doel. 

 

Nu loopt hij, als één van de laatste overlevenden, in vrijheid langs het strand van Normandië, met in zijn voetsporen de onzichtbare afdrukken van meer dan 40.000 dode kameraden. 

Stampvoetend staat ze naast hem.

Haar kleine handjes gebald tot vuistjes terwijl haar ogen schreeuwen vanuit haar hart. Haar antwoord op zijn duidelijke nee.

 

De reactie was hem niet vreemd.

Op haar manier spiegelde ze hem zijn eigen boosheid en onvrede over haar aanwezigheid. Een gevoel wat hij nu al jarenlang probeerde te onderdrukken. 

 

Hij had het nog geprobeerd, te praten over zijn angst voor kinderen.

Dat hij al lang geleden had besloten om geen nazaten op de wereld te zetten.

Kleine schreeuwlelijkerds die hem zijn leven zouden kosten.

Iets waarvoor hij geen tijd en ruimte wilde vrij maken.

Nee, hij had andere plannen.

De wereld zien, een vrij leven zoals hij dat wilde. 

 

Maar de scharrel van toen was duidelijk.

De kosmos heeft het zo bepaald waren haar woorden.

En ondanks de vele ruzies, gepraat tot diep in de nacht, was ze onverbiddelijk.

Dit kind moest er komen. 

 

Ook bij zijn ouders vond hij geen luisterend oor.

Zijn vader kapte het gesprek meteen af met de woorden dat ze hem zo niet hadden opgevoed. Zijn moeder kon alleen maar huilen. 

Zijn vrienden feliciteerden hem van harte met dit mooie geluk.

En vonden dat hij nu maar eens een echte baan moest gaan zoeken. 

 

Hij had zijn mond gehouden en was ouder geworden.

Een vaste baan van 8 tot 5, een warme prak en de scharrel in bed. 

Zo waren er in stilte 6 jaren van zijn leven voorbijgaan.                                                     Met een kind dat schreeuwde uit haar hart om ZIJN leven. 

Met een schok word ik ruw uit mijn hazenslaapje gewekt als de dorpsomroeper zijn kreet laat horen. De houten balk van de schandpaal klemt steeds meer mijn hoofd en handen af. Zuur zweet drupt langzaam in de wondkorsten die zich om mijn polsen en nek hebben gevormd. De ochtendzon heeft dit proces bevordert door nog eens extra met zijn september stralen vol op mijn lange haren te schijnen. 

 

Om mij heen is het marktplein gevuld met mensen.

De geur van ongewassen, bezwete lichamen vult mijn neus, vermengt met een vleugje mest en zure wijn. Langzaam is de zon verdwenen achter de hoge kerk.  

Hierdoor schijnen zijn stralen niet meer zo in mijn ogen en kan ik zien wat er zich voor mij afspeelt.

 

Groot en klein, al of niet met levende have.

Handelaren, met koopwaar die elke vrouw nodig heeft om haar huis spik en span te houden. De slager van om de hoek, met zijn bebloede leren schort aan.

Het kleine meisje met haar grote doordringende ogen.

Allemaal hebben zij zich verzameld op het grote plein. 

 

Het geroezemoes van de boeren, het geschreeuw van de burgers en het gemompel van de buitenlui neemt af. De stem van de omroeper hoeft niet meer zo zijn best te doen om boven het lawaai uit te komen.

De stilte die hij laat vallen mist zijn uitwerking niet.

Het volk wacht, wacht totdat hij opnieuw zijn stem zal verheffen om te komen met zijn bericht. Een bericht dat mijn lot, maar ook het lot van vele vrouwen met mij rigoureus zal veranderen. 

 

Ik heb het gezien in de sterren, mijn lot, hun lot.

Duidelijk zichtbaar in de sterren die ‘s nachts zo helder schijnen op het gras rondom het dorp. De sterren die de schaduw van de toren langer doen lijken en weerspiegelen in het water van de modderige straten.

Het dorp waar ik veilig dacht te zijn terwijl ik keek naar de twinkeling van de sterren bij het schijnsel van de maan. 

 

Ik kan niet anders dan wachten.

Wachten, terwijl mijn benen zeer doen van het staan en de vliegen op mijn angstzweet af komen. Ik rammel van de honger en ik heb verschrikkelijke dorst.

Ik wacht op wat komen gaat, op wat hij gaat zeggen.                                              

Wacht, tot de maan weer haar baan om de aarde maakt, bijgelicht door heldere, flonkerende sterren. 

 

Met bovenstaand verhaal heb ik bij een schrijfwedstrijd de eerste prijs gewonnen. Deze wedstijd stond in het teken van de monumentendagen te Apeldoorn getiteld 'Boeren, burgers en buitenlui'

Een doordringende geur van oud zweet, geurende sportschoenen en

mannelijke energie heet mijn welkom als ik de krakende deuren van het

oude gebouw open doe. 

 

Naarmate ik verder loop, wordt de geur steeds sterker.

Voorbij mijn neusharen zet het zich vast achter mijn ogen, diep in mijn hersenen.

De intensiteit zo sterk dat ik de smaak bijna kan proeven. 

 

Lief en ik rijden vandaag samen en aangezien ik al klaar was heb ik besloten

om hem op te halen. Via de app heeft hij mij laten weten nog bezig te zijn.

Dus mag ik zijn computer gebruiken om nog wat te werken. 

 

Met een kop koffie en de hoop dat ik daarmee de vieze onbekende smaak

uit mijn mond spoel, loop ik naar zijn kamer.

Daar tref ik bekende en onbekend collega’s aan.

We begroeten elkaar en ga aan lief zijn bureau zitten.

Ondertussen doet de computer zijn ding om op te starten.  

 

Rustig kijk ik om mij heen.

De kamer straalt datgene uit waar het gebouw mij al mee heeft begroet.

Namelijk ouderdom en verval. 

 

Zo omlijsten kale sponningen de enkele beglazing.

Metalen kasten, vol met deuken en stickers uit vergane tijden, zijn volgepakt

met gecamoufleerde kleren.

Midden in de kamer staan sportschoenen uit te dampen van hun dagelijkse

verplichte fit blijf rondje. Daartussen zitten de collega’s van lief. 

 

Oudere wijze mannen die zijn ingezet voor volk en vaderland op plaatsen waar

regelmatig de hel uitbrak.

Gepokt en gemazzeld zijn ze teruggekomen.

En ondanks hun dik verdiende medailles  hoor je ze niet klagen over de vieze geur van het gebouw, de vliegjes die rond drijven in gebarsten wc potten of over het aftandse kantoor meubilair. 

 

Nee, ze praten over hoe trots ze zijn op de mensen die ze nu mogen opleiden.

Ze zien hoe iedereen nog steeds zijn best doet om, ondanks de bezuiniging van de afgelopen jaren, er wat van te maken.

En ze vertrouwen er nog steeds op dat ze in tijden van nood dat gene kunnen beschermen wat hun zo lief is. 

 

Want net zoals met de vieze geur in het aftandse gebouw valt het niet meer op als je er maar lang genoeg werkt.

Dan ga je nog steeds door waar anderen stoppen totdat je, zoals vergane glorie, erbij neervalt. 

Vergane glorie